Over ons

JeanXXIII fanonIn 1959 kondigde paus Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie aan. Het doel van het Concilie was de Kerk als geheel en de mens persoonlijk geestelijk te vernieuwen, te ontdoen van bijkomstigheden en als het ware een nieuw geestelijk reveil te bewerkstelligen. Dat is de betekenis van het veel gebruikte woord ‘aggiornamento’.
 
Op 11 oktober 1962 werd het Concilie geopend. Op 3 juni 1963 stierf paus Johannes XXIII en op 21 juni 1963 werd de aartsbisschop van Milaan tot paus Paulus VI gekozen. Deze pauswisseling heeft geen invloed gehad op het werk van de concilievaders (de bisschoppen), want al na een jaar, op 22 november 1963 werd het eerste schema (onderwerp ter bespreking) over de H. Liturgie met 2158 tegen 19 stemmen door de concilievaders aanvaard.

Op 4 december 1963 bekrachtigde paus Paulus VI in een feestelijke zitting van het Vaticaans Concilie officieel de Constitutie over de H. Liturgie waarin de vernieuwingen in de liturgie werden aangekondigd.
Men gaat er algemeen van uit dat de liturgievernieuwing een vrucht is van het Tweede Vaticaans Concilie. De liturgievernieuwing is echter niet voorbereid op het Concilie, want de liturgie was al lang vóór het Concilie in beweging en onderwerp van discussie. De liturgie kwam als eerste onderwerp ter sprake, omdat de liturgie een centraal element is in het zijn en het handelen van de Kerk. De viering van de H. Eucharistie is zonder twijfel het middelpunt van de liturgie, omdat hier voltrokken wordt hetgeen Christus als opdracht bij het Laatste Avondmaal gaf: “Hoc facite in meam commemorationem.” “Doet dit tot mijn gedachtenis.”
Over de liturgie, het heilig handelen, of beter gezegd: “Het geheel van symbolen, gezangen, gebaren en handelingen waarmee de Kerk haar religie jegens God uitdrukt en manifesteert,” bestond allang vóór het Concilie een sterke tendens om tot bepaalde vernieuwingen te komen.
 
Tra le sollecitudini
Pius10In het begin van de twintigste eeuw komt de Liturgische Beweging op, ingeluid door de H. paus Pius X.
De liturgie, die tot die tijd sterk clericaal was, moest aan de gelovigen worden uitgelegd. Het doel van de Liturgische Beweging was de rijkdom van de liturgie onder het bereik van de gelovigen te brengen en de gelovigen daadwerkelijk aan de liturgie te laten deelnemen, de later vaak genoemde ‘actuosa participatio’. Er komen missalen voor de gelovigen in twee talen, maar Pius X houdt streng vast aan het voorschrift van het Latijn in de liturgie. In het Motu proprio ‘Tra le sollecitudini’ van 22 november 1903 zegt hij o.a. “De eigen taal der Roomse Kerk is het Latijn; bijgevolg is het verboden bij de plechtige liturgische diensten iets in de volkstaal te zingen, in het bijzonder de veranderlijke of vaste delen van de Mis en de Getijden.”
 
Mediator Dei et hominum
Papa Pius XIIReeds tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen artikelen vóór en tegen het Latijn.
In zijn Encycliek ‘Mediator Dei et hominum’ van 20 november 1947 moedigt paus Pius XII de actieve deelname van het volk aan de liturgie sterk aan, maar handhaaft het gebruik van het Latijn met de woorden: “het gebruik van de Latijnse taal, zoals dat in een groot deel van de Kerk bestaat, is een duidelijk en voornaam teken van eenheid en een doeltreffend middel tegen allerlei bederf van de ware leer.”

In de Constitutie over de H. Liturgie (het eerste document van Vaticanum II) wordt bepaald in artikel 36:
1) Het gebruik van de Latijnse taal moet, behoudens het particulier recht, in de Latijnse ritussen gehandhaafd blijven.
2) Omdat echter èn in de Mis èn bij de toediening van de sacramenten en in andere gedeelten van de liturgie het gebruik van de volkstaal vaak van groot nut kan zijn voor het volk, mag er een ruimere plaats aan gegeven worden, vooral bij de lezingen en aansporingen en in sommige gebeden en gezangen, overeenkomstig de normen die hiervoor afzonderlijk worden vastgesteld.
3) Met inachtneming van deze normen, komt het aan het bevoegde territoriaal kerkelijk gezag toe om, eventueel ook na overleg met de bisschoppen van naburige gebieden met dezelfde taal, beslissingen te nemen omtrent het gebruik van de volkstaal en de mate van dit gebruik; deze besluiten moeten echter door de Apostolische Stoel worden goedgekeurd of bekrachtigd.
4) De vertaling van de Latijnse tekst in de volkstaal voor het gebruik in de liturgie moet door het bevoegde territoriaal kerkelijk gezag worden goedgekeurd.

Wat bleek? Nog voor er een behoorlijke goedgekeurde vertaling van het Romeins Missaal beschikbaar was, werd reeds in op de eerste zondag van de Advent 1964 de volkstaal ingevoerd.

De Constitutie heeft een dam willen opwerpen tegen de verwording van de liturgische taal door te bepalen: “in ritibus latinis lingua latina servetur.” Het Latijn is en blijft de taal van de liturgie van de Westerse Kerk. De Kerk breekt niet met tradities van jaren her. Het Latijn is vanaf de tweede eeuw de taal van de Kerk geweest en zal dat blijven. Het is en blijft onzinnig te beweren dat het Latijn na het Tweede Vaticaans Concilie zou zijn afgeschaft.

Wij bezitten dan ook op grond van de Conciliebesluiten sedert 1970 een nieuw Romeins Missaal met daarbij horende Lectionaria en geregeld zijn er uit Rome de herziene teksten van allerlei kerkelijke plechtigheden, zoals de Sacramentenliturgie en het Getijdengebed in het Latijn verschenen.

Wat dat betreft, blijkt “lingua latina servetur” geen dode letter te zijn. De postconciliaire praktijk echter heeft uitgewezen, dat niet alleen in Nederland maar vrijwel in de gehele wereld de toegestane uitzondering tot regel is geworden. Gelovigen die, volkomen rechtmatig, een Latijnse viering wensen, zijn vaak genoodzaakt stad en land af te reizen om er een te vinden. Volkstaal werd regel, Latijn nauwelijks gedulde uitzondering. Dit heeft ertoe geleid dat er in 1967 een Vereniging voor Latijnse Liturgie werd opgericht.

De oprichtingsvergadering in november 1967 in Den Bosch was indrukwekkend. Velen maakten in de kathedraal van Den Bosch weer voor het eerst sinds drie jaar een Latijnse Mis mee.
 
Er is in de loop der jaren sinds de oprichting veel gebeurd. De Vereniging heeft zich mede door haar publicaties een plaats weten te veroveren binnen Katholiek Nederland. Er zijn veel mensen van de eerste generatie leden inmiddels overleden, maar de doelstelling van de Vereniging, namelijk het levend houden van het Latijn en van de Latijnse kerkmuziek, met name het Gregoriaans, in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk, is in al die jaren recht overeind blijven staan.
 
Na het Concilie is zowel vanuit Rome, als door de Nederlandse bisschoppen herhaaldelijk gesteld, dat vieringen in het Latijn volkomen legitiem en gelijkwaardig zijn aan vieringen in de landstaal. De in 1983 uitgegeven Codex zegt in canon 928 “Eucharistica celebratio peragatur lingua latina aut alia lingua, dummodo textus liturgici legitime approbati fuerint.” (De Eucharistieviering moet in het Latijn gebeuren of in een andere taal, mits de liturgische teksten wettig goedgekeurd zijn.) De Vereniging heeft zich dit steeds duidelijk voor ogen gesteld. Maar de officiële instanties kunnen het wel zeggen, de praktijk is vaak anders en dat geldt niet alleen in de kwestie Latijn-volkstaal. Nu enkele decennia na de liturgievernieuwing van Vaticanum II heeft de volkstaalliturgie haar plaats verworven en meer dan dat: ze is niet meer weg te denken!
 
Ondertussen is er echter een ontwikkeling in gang gezet die niet meer te stuiten is: steeds gemakkelijker en veelvuldiger ontmoeten mensen van verschillende volkeren en culturen elkaar. Wanneer de Kerk het Latijn nooit gekend zou hebben, zouden er in onze dagen zeker stemmen opgaan om een van de wereldtalen te kiezen als liturgische taal voor de Rooms-Katholieke Kerk. Maar juist vanwege dit universele aspect is het Latijn bewaard. Sommigen zullen zeggen dat, om de eenheid en de verbondenheid in de Wereldkerk te bevorderen, het gemeenschappelijk gegeven van de Romeinse ritus veel voornamer is dan de taal die gebruikt wordt. Maar toch geeft de mogelijkheid om samen met vele anderen in één taal te kunnen bidden en zingen een gevoel van verbondenheid, dat intenser is en de mens dieper raakt, dan het louter volgen van dezelfde ritus. Niet alleen is dit zo wanneer men betrokken is bij internationale vieringen, het geldt evenzeer wanneer men de Latijnse liturgie viert in de eigen gemeenschap: men ervaart heel nadrukkelijk dat men bij die grote familie van de Kerk hoort. Het gemeenschappelijk gebeden of gezongen Latijn in de liturgie versterkt op bijzondere wijze dat aspect van de Romeinse ritus, dat zowel de band legt tussen de volkeren als tussen vele eeuwen kerk-zijn.

Deze unieke plaats die het Latijn inneemt mede door het feit dat het geheiligd is door een traditie van ruim 18 eeuwen, kan nooit op gelijkwaardige wijze ingenomen worden door een van de wereldtalen. Een levende taal kan nooit dat bindende element vormen tussen de volkeren en geloofsgemeenschappen van de Wereldkerk, omdat een levende taal altijd onlosmakelijk verbonden zal zijn met het heden en verleden van een bepaald volk of van enkele volkeren. Aan welke wereldtaal zou de Kerk de voorkeur moeten geven zonder volkeren tekort te doen?
 
De unieke plaats van het Latijn wordt bovendien nog extra versterkt, omdat zij onlosmakelijk verbonden is met het kostbare erfgoed van de Gregoriaanse zang. Vooral vanwege de universele karakter van de Kerk heeft het jongste Concilie besloten het Latijn te bewaren. Vandaar dat er ook telkens op aangedrongen is dat de gelovigen vertrouwd blijven met de hun toekomende gedeelten van de gebeden en gezangen. Ook is er vaak op gewezen dat seminaristen vertrouwd moeten blijven met de Latijnse taal en het Gregoriaans. Men moet dan ook niet menen dat men over twintig jaar in Rome, Lourdes of elders nog samen in het Latijn kan bidden of zingen, evenmin zal men het Latijn nog kunnen gebruiken bij vieringen die juist het lokale karakter van de Kerk willen overstijgen, wanneer de vertrouwdheid met het Latijn niet aan de basis, in de eigen geloofsgemeenschap wordt gevoed. Ook het kostbare erfgoed van het Gregoriaans en de polyfone kerkmuziek van vele eeuwen zal onbruikbaar zijn voor de liturgie, als het geen levend bezit meer is van de geloofgemeenschap maar als een soort ‘museumstuk’ uit de kast gehaald moet worden voor een ‘uitvoering’. De grote moeilijkheid is dat voor velen, ook binnen de top van de Wereldkerk het Latijn nog te veel gekoppeld is aan: van vroeger, uit het verleden cq. ouderwets, conservatief.

Een probleem van de liturgiehervorming sinds het Concilie is dat bepaalde veranderingen andere reeds bestaande mogelijkheden niet uitsluiten. De reeds bestaande vorm wordt dan vaak op affectieve, zo niet emotionele gronden ofwel sterk aangehangen of juist sterk afgewezen. Geldt dit al ten aanzien van de keuze: Latijn-volkstaal, zij geldt evenzeer voor een groot aantal andere zaken de liturgie betreffende.
 
Is er geen kritiek mogelijk op de liturgievernieuwing? In zijn boek ‘Het mysterie in de liturgie’ zegt mgr. dr. J.F Lescrauwaet: “In onze streken heeft intussen het streven om de liturgie door vereenvoudiging dichter bij de gelovigen te brengen, feitelijk ook tot verschraling van het mysteriebesef geleid, tot eenzijdige nadruk op het beredenerende en moraliserende woord, en vaak tot het prijsgeven van de traditionele luister. Bij de postconciliaire vernieuwing openbaarde zich de moeilijkheid om twee ogenschijnlijk met elkaar concurrerende voorwaarden tegelijk en harmonieus te verwerkelijken. (...) Het Tweede Vaticaans Concilie heeft inderdaad vooral meer ‘licht’ willen brengen in de ‘Dienst van het Woord’ en de sacramentele rites, doch het heeft nooit bedoeld het ‘mysterie’ dat het hart uitmaakt van de christelijke eredienst, te verdoezelen.”
 
Dat de liturgie heden ten dage vaak te triviaal, te weinig sacraal en te weinig mysterievol zou zijn, is voor velen een steeds meer voelbaar bezwaar. Liturgie dient ons te verheffen boven het gewone, het alledaagse en ons met God te verbinden. De Vereniging voor Latijnse Liturgie meent dat het Latijn als liturgische taal daartoe een zeer belangrijke bijdrage kan leveren.
 
Latijns/Nederlandse missalen
Om de gelovigen bij de liturgie te betrekken zijn Latijns/Nederlandse missalen uitgegeven, is een Handboek voor Kerklatijn gepubliceerd en is in samenwerking met de Abdij van Solesmes het ‘Gregoriaans Missaal’ tot stand gekomen.
 
Gelukkig heeft er steeds veel belangstelling voor de Vereniging bestaan, getuige het aantal van zo’n 2000 leden, verdeeld over afdelingen. Om het werk te kunnen continueren is het van belang het ledental op peil te houden, niet alleen en zeker niet op de eerste plaats om financiële redenen, maar omdat in onze statistische wereld niet alleen de kwaliteit, maar ook de kwantiteit telt.