Lezing door dr. J.W.M. Peijnenburg, archivaris van het Bisdom
's-Hertogenbosch op 20 mei 2000 te Oudenbosch.
Tot een van de recente aanwinsten van de bibliotheek van het Archief van het Bossche bisdom behoort een eerste uitgave van het Missale Romanum naar de hervorming van Paus Pius V.
Op het schutblad de befaamde namen: Plantijn/Moretus, Antwerpen en het jaar 1571. Zo maar gevonden op de zolder van een pastorie, ooit met andere boeken in een kist gestopt en vervolgens vergeten. Tot dan een van onze jonge priesters deze uitgave ontdekte, er de waarde van onderkende en mij alarmeerde. Eerste uitgave van een boek, dat zijn laatste druk beleefde in1962. Niet veel boeken, met als grote uitzondering natuurlijk de H. Schrift zelf, kunnen op een dergelijk record rekenen.
1571-1962: bijna vier eeuwen. Is er dan niets gebeurd in die tijd? Als men in het grote standaardwerk van Herman Wegman over de Geschiedenis van de Christelijke Eredienst (Hilversum 1976) leest, dat hij de periode 1600-1950 in een paar bladzijden kan behandelen, "omdat deze eeuwen weinig positiefs hebben bijgedragen aan de groei van de eredienst" (pag. 255), zou men geneigd zijn deze vraag met 'ja' te beantwoorden. Welnu, dan behoef ik u niet te noodzaken lang naar mijn betoog te luisteren. Ik meen echter dat, ook al kan men inderdaad de stelling handhaven, dat de normen van het Concilie van Trente de eredienst al die tijd bepaald hebben, er wel degelijk enige historische kanttekeningen zijn te maken.
Allereerst kan men het Concilie van Trente karakteriseren als een vernieuwing van de Kerk in die zin, dat vernieuwing hier betekent: uitzuivering, verwijdering van een dikke laag randverschijnselen.
Het kerkelijk leven in de periode,
die door onze landgenoot Johan Huizinga onnavolgbaar is beschreven
als het 'Herfsttij der Middeleeuwen' vertoont een aantal merkwaardige
interne tegenstellingen. Ogenschijnlijk is het een bloeiperiode.
Het hele maatschappelijke leven is doordrongen van de invloed
van de Kerk, maar de eredienst kent een overdaad aan feesten,
(ik wijs u in deze graag op de interessante kalender in het Catharijneconvent)
volkse gebruiken, excessen in de heiligenverering, de Mariaverering,
de devotie tot het H. Sacrament, vrijwel los van de Eucharistieviering
en vooral ook het materialistische misbruik van de aflaten.
De vroomheid van de gelovige was verregaand geïndividualiseerd.
Onze prachtige gotische kathedralen (bijvoorbeeld onze Bossche
St. Jan, waarvan ik in mijn paaspreek nog heb gezegd, dat men
die alleen heeft kunnen bouwen vanuit een vast geloof in de Verrijzenis
van de Heer) zijn gebouwd in een tijd, waarin het besef van de
Eucharistie als gemeenschapsgebeuren nagenoeg was verdwenen en
waarin -en dat was nog erger- de verkondiging van het Woord van
de Heer ernstig werd verwaarloosd, ook al las ik onlangs in een
publicatie van de Stichting Oude Gelderse Kerken, dat in het middeleeuwse
bisdom Utrecht de verplichting bestond, dat de priesters elke
zondag over de Twaalf Artikelen van het geloof dienden te preken.
Ik ben bang, dat er niet veel van terecht kwam. Het behoeft geen
verwondering, dat de eerste hageprekers van de Reformatie zulke
grote toeloop ondervonden en dat juist de prediking van het Woord
de sterkste kracht van de Hervorming zou worden.
Trente stelde orde op zaken: de Westerse, Latijnse ritus vond een voorlopig einde in de ontwikkeling van de eredienst en dat betekende in elk geval: stabiliteit, objectiviteit en uniformiteit. Er werd, zoals gezegd, stevig gesnoeid in allerlei plaatselijke gebruiken, die de kern van de eredienst tamelijk overwoekerd hadden.
Het Missale Romanum met een duidelijk onderscheid tussen het temporale (het tijdeigen) en het sanctorale (de feesten van Maria en de heiligen) verscheen in 1570, gevolgd door het Pontificale (de vieringen, waarin de bisschop voorgaat zoals wijdingen van personen en kerkgebouwen) in 1596 en het Ceremoniale Episcoporum (bedoeld voor de liturgie in de kathedralen) in 1600.
Eerder nog dan het Missaal verscheen in 1568 (vijf jaren na het Concilie) het Breviarium Romanum: het brevier voor de priesters, waarin het gehele psalterium was opgenomen. Alle 150 psalmen, afgewisseld door Schriftlezingen, hymnen en gebeden, werden elke week gebeden. Afgezien van wat kleine wijzigingen, bleef het tot de hervorming van Paus Pius X in 1914 onveranderd.
Veel later, onder Paulus V, verscheen in 1614 het Rituale Romanum, het boek voor de vieringen van de Sacramenten, de Eucharistie uitgezonderd. Het Rituale bood uiteraard meer ruimte voor locale aanpassingen, zoals gebruiken bij doop, huwelijk en sterven. De biecht en de ziekenzalving werden nog het meest uniform gemaakt.
Zegeningen boden uiteraard veel mogelijkheid tot variatie, terwijl het ook begrijpelijk is, dat al vóór Vaticanum II de landstaal hier binnenkwam.
Men kan van Trente veel goeds zeggen; jammer is in elk geval zeker wel, dat zo veel nadruk werd gelegd op het feit, dat alleen de gewijde ambtsdrager gerechtigd was tot een viering van de liturgie van de Kerk en dat de gelovige niet veel meer kon toevoegen dan een luisterende aanwezigheid.
Dat dit overigens niet ten koste ging van een sterk geloofsleven, hebben onze Nederlandse voorouders bewezen in de tijd van de Hollandse schuilkerken en staties en van de 'Brabantse schaapskooi', waarover wijlen Pontianus Polman O.F.M. in zijn derde deel van 'Katholiek Nederland in de Achttiende Eeuw' zulke prachtige gedachten heeft neergeschreven. Ik kan dit ook nog illustreren aan de hand van een eigen familie-ervaring: mijn diepgelovige moeder maakte in 1964 nog net de invoering van de volkstaal mee en verklaarde de eerste de beste zondag, dat ze nu helemaal niet meer had kunnen bidden.
Wat gebeurde er na Trente?
De Romeinse eenvormigheid werd al gauw niet meer door iedereen
in de Kerk geaccepteerd. Om te beginnen in Frankijk, waar met
name onder de langdurige regering van Lodewijk XIV (1643 - 1715)
toenemende politieke macht, uitbreiding van het territorium en
vorstelijk absolutisme samengingen met een reveil van het geestesleven,
dat in kerkelijk opzicht wordt vertaald in het gallicanisme. De
ecclesia gallicana zocht zoveel mogelijk wegen naar een eigen
Franse gestalte; men wilde verkorten, uitzuiveren (b.v. een aantal
legendarische heiligenverhalen), en op het einde van de achttiende
eeuw hadden zo'n tachtig bisdommen een liturgie met veel neo-gallicaanse
invloed.
Het bisdom Meaux gaf al in 1709 een eigen missaal uit, gevolgd door Troyes en Parijs in 1736. Kenmerken waren in het algemeen: meer prefaties, nieuwe antifonen, gebeden over de gaven en na de Communie en minder heiligenfeesten. Eigen breviers kwamen uit Viënne (1671), Parijs (1680 en 1736). De landstaal was een van de wensen, maar -voorzover ik heb kunnen nagaan- is het daartoe niet gekomen.
In Duitsland had de Aufklärung,
in tegenstelling tot
Frankrijk, ook religieuze interesse. "Belehrung", "Erbauung",
terugkeer naar de kern van de viering, herwaardering van de H.
Schrift, deelname aan de eredienst van de gelovigen en de landstaal,
- dat waren begrippen, die opgang deden. Het leidde in de praktijk
tot de bekende 'Singmesse', waarin vooral Kyrie, Gloria, Sanctus,
Agnus Dei in het Duits gezongen werden en evolueerde later tot
de Betsingmesse, waarin door de gelovigen ook Duitse gebeden gezegd
werden, terwijl de celebrant het Latijn trouw bleef. Aangaande
de getijden moeten de Duitse Vespers vermeld worden: een avondgebed
voor alle gelovigen. In het confessioneel verdeelde Duitsland
is de invloed van de Evangelische Kirche duidelijk zichtbaar.
Een goede kant hiervan was dat ook de verkondiging meer aandacht
kreeg door een verbetering van de pericopenkeuze.
Het meest scherp, maar ook het meest kortstondig was de kritiek, met name op de Ritencongregatie in Italie rond de Synode van Pistoia in 1786, waarin werd aangedrongen op een grotere eenvoud in de liturgie en waar sterk de nadruk werd gelegd op de deelname van de gelovigen.
De spoedige val van het Ancien Regime in de meeste landen van Europa door de Franse Revolutie verhinderde de doorvoering van veel verlangens, die twee eeuwen later, na Vaticanum II, wel verwezenlijkt zouden worden.
De negentiende eeuw geeft weer een ander beeld te zien: in zijn nog steeds beschikbare "L'annee liturgique" geeft de abt van Solesmes, Dom Gueranger, zijn visie. Hij wil het herstel van de oude Romeinse liturgie, die naar zijn mening geen locale trekken verdroeg; hij vierde de liturgie op een bijna mystieke manier; voor historische en relativerende argumenten had hij geen oog. Men heeft hem wel eens een pauselijk zouaaf genoemd, dan niet ter verdediging van de pauselijke staat, maar van de liturgie, zoals hij die zag. Eigenlijk was de liturgie van Solesmes en de andere abdijen te mooi; zij was ook onbereikbaar voor actieve participatie door de gelovigen.
Toch heeft de Liturgische Beweging
uit de eerste helft van de twintigste eeuw hier zijn oorsprong
gevonden. De rijkdom van de liturgie had veler ogen geopend, de
Nederlanders L. Brinkhof O.F.M. en A. Hollaardt O.P. hebben hierover
voortreffelijke publicaties nagelaten.
Namen als kardinaal I. Schuster te Milaan en de Zuidduitse Abdij
Beuron, waar men al vroeg Latijnse teksten vertaalde (het missaal
van Dom Schott), Jungman met Missarum Sollemnia en in Nederland
pastoor F.C. Beukering mogen genoemd worden.
Gedegen historische kennis en verdieping van het theologisch inzicht (Odo Casel O.S.B., die in 1948 stierf onder het Exsultet) en de Nouvelle Theologie in Frankrijk vormden de fundamenten, waarop men voortbouwde. De pastorale instelling van de H. Paus Pius X gebruikt in een Motu Proprio over de kerkmuziek het eerst de woorden 'participazione attiva'. Het decreet 'Quam Singulari' van 1910 over de kindercommunie en een onvoltooid gebleven herziening van het brevier pasten eveneens in deze context.
In verband met de ontwikkeling van de liturgie zijn de encyclieken 'Mystici Corporis' (1943) en 'Mediator Dei et hominum' (1947) van Paus Pius XII van groot belang geweest. Mede door ervaringen in de Tweede Wereldoorlog groeiden er praktische veranderingen: de avondmissen (1947), de volkstaal in het Rituale bij doopsel, huwelijk en uitvaart, de belangrijke herziening van de paasnacht (1951), de nuchterheidswetten (verzacht in 1953 en 1957) en de vernieuwde Goede Week (1956).
Het was dus geen wonder, dat het Tweede Vaticaans Concilie als eerste de liturgie behandelde. Er was genoeg voorwerk verricht. De Constitutio 'De sacra liturgia' van 4 december 1963 is zonder meer te beschouwen als een bekroning van het werk van de Liturgische Beweging.
Binnen de Vereniging voor Latijnse Liturgie is daarover in de loop der jaren al veel gezegd. Dat de uitwerking van het conciliedocument, zeker ook in ons land, veel problemen met zich heeft gebracht, kan men de Concilievaders niet verwijten.
Ik zou mijn historische wandeling -u hebt uiteindelijk een kerkhistoricus gevraagd- hiermee willen beëindigen.
Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.