
Inleiding
Wat is een paus eigenlijk? - De paus is de bisschop van Rome,
hij is het hoofd van de katholieke Kerk, de opvolger van de apostel
Petrus en de plaatsbekleder van Christus op aarde. Dat zijn zo
een paar antwoorden die opkomen als men nadenkt over de betekenis
van het Petrusambt. Het is opmerkelijk hoezeer Kerk en paus met
elkaar verbonden zijn: nieuws over de Kerk is vaak nieuws over
de paus, vaak respectvol en bewonderend, vaak ook kritisch. Wij,
mensen van de 21e eeuw, kunnen ons nauwelijks voorstellen dat
het twee eeuwen geleden nog mogelijk was in Rome dat de paus op
straat liep zonder enig opzien te baren. Het was pas onder het
pontificaat van Pius IX (1846-1878) dat de paus het immense prestige
verwierf dat zijn opvolgers nog altijd genieten. Dat ze dat prestige
behouden hebben, heeft zeker ook te maken met het feit dat allen,
van Pius IX tot en met Johannes Paulus II, mannen van groot formaat
waren, als herders van de Kerk, als geestelijke leiders; sedert
de Gregoriaanse hervorming van de elfde eeuw zijn er niet meer
zoveel heilige pausen geweest.
Maar het was en is niet alleen verering dat hen ten deel viel.
De zalige Pius IX was de meest geliefde én de meest gehate
paus van de 19e eeuw. De veroordeling door de heilige Pius X van
het Modernisme wordt tegenwoordig liefst verzwegen. En de rol
van de dienaar Gods Pius XII in de Tweede Wereldoorlog is nog
altijd onderwerp van een emotioneel debat. "Een teken van
tegenspraak" - wat van Christus gezegd wordt, lijkt ook op
de paus van toepassing te zijn. Dat maakt het voor ons des te
meer noodzakelijk om zorgvuldig die vraag te overwegen: wat is
een paus eigenlijk? Studie van de liturgie kan helpen die vraag
te beantwoorden, precies omdat er in de loop der eeuwen verschillende
pausen tot de eer der altaren verheven zijn en hun beeltenis als
persoon en als bekleder van het Petrusambt vereeuwigd is in een
verzameling gebedsteksten die de ganse traditie omspant.
Het eerste
millennium
Beperkt en van lokaal belang, dat is het oordeel van Dom Grégoire
Dix aangaande de oudste liturgische kalender van de stad Rome,
daterend van het jaar 354. De kalender telde zo'n vijftig namen,
gegroepeerd in 24 gedachtenissen, depositiones van Romeinse martelaren.
Vier van hen waren bisschop, namelijk Fabianus (236-250), Sixtus
II (257-258), Pontianus (230-235) en Callistus I (217-222) , maar
het is als martelaar dat zij gevierd werden. Dat allen uit de
derde eeuw stammen, terwijl grote namen als Clemens I (88-97)
en Telesphorus (125-136) ontbreken, hangt waarschijnlijk samen
met het feit dat de kalender in zijn oudste vorm dateert van ca.
240, toen de eredienst in de catacomben van Callistus verder georganiseerd
werd. De oude teksten onthullen niets over de toenmalige perceptie
van het Romeinse bisschopsambt, maar er ligt al een ganse ambtstheologie
besloten in bijv. het beeld van Sixtus II en zijn vier diakens,
die gedood werden op het kerkhof nadat ze de Eucharistie hadden
gevierd op de graven van de martelaren. Het was ook op de graven
van de martelaren dat men de eerste kerken bouwde. Zo werden als
patroonheiligen van een basiliek nog enkele martelaar-pausen op
de kalender geplaatst: Clemens I en Felix (269-274) in de vierde
eeuw, en Cornelius (251-253) en Stefanus (254-257) in het midden
van de vijfde eeuw. Marcus (336), hoewel geen martelaar, werd
begraven en vereerd in een kerk die hij zelf gebouwd had.
De herinnering aan de bisschoppen die niet als martelaar gestorven
waren werd ook gevierd, getuige een lijst die loopt van Dionysius
(259-268) tot Julius I (337-352). Het was nog geen heiligenfeest,
maar toch al méér dan een gewone dodenmis. Zo wordt
in het gebed voor Sixtus III (432-440) gevraagd 'dat hij die opvolgde
in het ambt van uw plaatsbekleder op de troon van de zalige apostel
Petrus, door de overvloed van uw genade het eeuwig erfdeel mag
ontvangen van het apostolisch ambt'. Plaatsbekleder van God, opvolger
van de apostel Petrus, pastor of herder, dat is hoe de bisschoppen
van Rome in de vijfde eeuw gezien werden. Echter, terwijl in Gallië
in het begin van die eeuw St. Martinus van Tours als eerste confessor
op de kalender verscheen, duurde het in Rome tot ca. 600 vooraleer
een dergelijke eer bewezen werd aan bisschoppen die zich onderscheiden
hadden door hun herderlijk leven in plaats van een heroïsche
dood. Voorlopig bleef de lijst beperkt tot Silvester (314-335),
de paus onder wie de Vrede van Constantijn tot stand kwam, en
Leo de Grote (440-461), waaraan in de zevende eeuw Gregorius de
Grote (590-604) werd toegevoegd. Het Gregoriaans sacramentarium,
dat op het einde van de achtste eeuw overgenomen werd door de
Karolingers, telde een gering aantal feesten van heilige pausen:
negen martelaren en drie belijders.
De Gregoriaanse
hervorming
Het was een heilige paus, Leo IX (1049-1054), die de leiding nam
van de hervorming van de Kerk die enkele jaren eerder begonnen
was door de Duitse koning Hendrik III. Het was een andere heilige
paus, Gregorius VII (1073-1085), die er zijn naam aan gaf en er
zijn stempel op drukte. In het besef van de hoge verantwoordelijkheid
en waardigheid van zijn ambt, gebaseerd op een vereenzelviging
met de apostel Petrus, eiste hij heerschappij over koningen en
keizers, een aanspraak die door geen van zijn opvolgers meer overtroffen
zou worden. De inzet was niet een conflict tussen Kerk en Staat,
maar de vraag wie de geestelijke opperheerschappij heeft, wie
mag oordelen over bisschoppen én koningen, of hun bestuur
de Kerk ten goede komt of niet. Koning Hendrik IV kwam tegen de
paus in opstand en werd afgezet en geëxcommuniceerd; zijn
daaropvolgende betuiging van gehoorzaamheid te Canossa in januari
1077, barrevoets in de sneeuw, was een overwinning voor de paus.
Het is niet verwonderlijk dat juist Gregorius VII - om precies
te zijn tijdens de Lateraanse synode van 1078 - de viering van
pauselijke heiligenfeesten in de Romeinse basilieken nader organiseerde.
Een dertigtal pausen werd aan de kalender toegevoegd, variërend
van Linus en Cletus, de eerste opvolgers van Petrus, tot Leo IX,
de man aan wie Gregorius dertig jaar terug zijn positie in Rome
te danken had gehad. Het merendeel bestond nochtans uit martelaren
die hun leven gegeven hadden in de eerste drie eeuwen van de jaartelling.
Rond 1200 was het aantal pausen dat in Rome of elders vereerd
werd, gestegen tot ongeveer 60. Ook de eigen tijd was niet vruchteloos
in heiligheid gebleken, getuige de opbloei van cultussen rond
de graven van Victor III (1086-1087) in de abdij van Montecassino
en van Urbanus II (1088-1099) en Eugenius III (1145-1153) in de
St. Pieter. De devotie betrof echter de heilige man, de wonderwerker,
niet de paus, en bleef beperkt tot de Romeinse burgerij of tot
de mensen van zijn geboortestreek of religieuze Orde.
De late Middeleeuwen
De pauselijke legaten en vanaf de 13e eeuw de rondtrekkende Franciscanen
en Dominicanen droegen er toe bij dat de kalender van de Curie
wijdverbreid raakte, terwijl het alleenrecht inzake heiligverklaringen,
dat de pausen ca. 1200 verwierven, ervoor zorgde dat de kalender
van Rome op haar beurt qua samenstelling universeel werd. Het
zou echter nog meer dan een eeuw duren voordat een paus aan alle
gelovigen ter verering voorgesteld werd. De cultussen van de Dominicaanse
pausen Innocentius V (1276) en Benedictus XI (1303-1304) strekten
niet verder dan hun grafkerken in Rome en Perugia en de eigen
Orde. Paus Celestinus V (1294, afgetreden na vijf maanden) was
de eerste aan wie de eer van een plechtige heiligverklaring te
beurt viel, op 5 mei 1313, maar om twee redenen is zijn zaak niet
representatief. Ten eerste was de canonisatie min of meer afgedwongen
door de Franse koning Philips IV, die eigenlijk de posthume veroordeling
van zijn aartsvijand Bonifatius VIII (1294-1303) had geëist,
de opvolger van Celestinus, maar met deze heiligverklaring genoegen
nam. Ten tweede: precies vanwege de politieke gevoeligheden die
de zaak omringden, werd besloten om Celestinus niet als paus te
canoniseren maar onder zijn eigen naam, Petrus van Morrone, als
stichter van de Celestijner Orde en als kluizenaar, wat hij in
de jaren vóór de pauskeuze en na zijn aftreden geweest
was.0
Pas in 1375 klonk in Europa daadwerkelijk en oprecht de roep,
geleid door koning Waldemar van Denemarken, om een paus heilig
te verklaren, namelijk de Benedictijn Urbanus V (1362-1370). Hoewel
de zaak uiteindelijk vastliep in de wanorde van het Westers Schisma
(1378-1417) kunnen we uit het canoniek proces van 1381 leren wat
men zich destijds bij een goede paus voorstelde: een bisschop
en een vorst, een rechtvaardig en edelmoedig bestuurder die zich
verantwoordelijk weet voor het geestelijk én het materieel
welzijn van zijn onderdanen. Een vorst geëerd door de vorsten
der aarde
De spanningen tussen het pastorale en het bestuurlijke
aspect van het paus- én bisschopsambt in de Middeleeuwen
kwamen duidelijk tot uiting in de 14e eeuw in de personen van
de succesvolle "vorst-bisschop" Urbanus en de kluizenaar
Celestinus, die geen andere uitweg had gezien dan af te treden.
De katholieke
Reformatie
Voor de ontwikkeling van de heilige-pausen-cultus is de 16e eeuw
om tenminste drie redenen van groot belang. Om de ontspoorde heiligenverering
terug in goede banen te leiden, werd in 1570 een nieuw Romeins
missaal uitgebracht, bindend voor de hele Kerk, met een kalender
waarop het aantal heiligenfeesten tot 158 was teruggebracht. Als
basis was het achtste-eeuwse sacramentarium van de stad Rome genomen;
onder meer alle elf heilige pausen van ná Leo II (682-683)
werden geschrapt, maar er bleven er toch nog 36 over, verdeeld
over 33 feesten, merendeels simplex of semi-duplex. Alleen Fabianus
(samen met St. Sebastiaan), Gregorius de Grote, Leo de Grote en
Silvester werden als duplex gevierd.2 De 16e eeuw - het begin
van de katholieke Reformatie - zag, ten tweede, ook een hernieuwde
belangstelling voor de roemruchte hervormingspaus Gregorius VII.
Na zijn dood was hij opmerkelijk snel uit de herinnering verdwenen,
maar in 1584 werd zijn naam aan het nieuwe Romeins martyrologium
toegevoegd: 25 mei 'depositio beati Gregorii Papae Septimi, ecclesiasticae
libertatis propugnatoris, ac defensoris acerimi', 'begrafenis
van de zalige paus Gregorius VII, voorvechter en allervurigst
verdediger van de kerkelijke vrijheid'. De reden voor zijn vermelding
moet zeker gezocht worden in het feit, dat in de decennia ervoor
verschillende landen protestants waren geworden en dus (in katholiek
perspectief) afgevallen van de gehoorzaamheid aan de paus, terwijl
de katholieke vorsten op hun beurt poogden de Kerk in hun landen
aan zich te onderwerpen.
Maar méér nog dan door de gedachtenis van historische
personen werd de Kerk, ten derde, gesterkt door het oprijzen in
haar midden van een nieuwe heilige paus, Pius V (1566-1572). Daadkrachtig
had hij werk gemaakt van de hervormingen die het Concilie van
Trente aan hem had toevertrouwd, o.m. van de liturgische boeken.
Daadkrachtig was hij ook opgetreden tegen de dreiging van het
Ottomaanse Rijk, glorierijk overwonnen in de zeeslag bij Lepanto,
en tegen de afscheiding van de protestantse landen, zij het minder
succesvol. Zoals zijn Middeleeuwse voorgangers eiste hij de heerschappij
over wereldlijke vorsten voor zich op, maar zijn excommunicatie
en afzetting van koningin Elizabeth I van Engeland in 1570 had
alleen maar averechtse gevolgen voor de Engelse katholieken. Nooit
meer zou een koning naar Canossa gaan. Het is opvallend dat paus
Pius bij de zaligverklaring in 1672 niet werd gepresenteerd als
"vorst-bisschop", maar als herder van Gods kudde en
hogepriester van zijn huis, bedeeld 'met de glorie van apostolische
ijver en kracht, de lof van pastorale liefde en waakzaamheid en
de glans van heilige nederigheid en van alle andere deugden'.4
Ook de lezingen van de tweede nocturne in het brevier (5 mei)
lijken gemodelleerd naar het bisschopsbeeld dat gepropageerd werd
door het Concilie van Trente: verbreiding van het geloof, herstel
van de kerkelijke discipline, uitroeiing van dwalingen, bijstand
aan de armen, en tenslotte 'bescherming van de rechten van de
Heilige Stoel'. En terwijl de slag bij Lepanto uitgebreid werd
gememoreerd, bleef de excommunicatie van Elizabeth I onvermeld.
Dat maakt het des te meer opmerkelijk, dat het gebed van het feest
juist de strijd benadrukt: 'Deus, qui ad conterendos Ecclesiae
tuae hostes, et ad divinum cultum reparandum, beatum Pium Pontificem
Maximum eligere dignatus es: fac nos ipsius defendi praesidiis,
et ita tuis inhaerere obsequiis; ut, omnium hostium superatis
insidiis, perpetua pace laetemur' (God, die tot verplettering
van de vijanden van uw Kerk en tot herstel van de goddelijke eredienst
U gewaardigd heeft de zalige paus Pius uit te verkiezen: maak
dat wij door zijn bescherming verdedigd worden, en ons zo op uw
dienst toeleggen, dat wij, na de hinderlagen van alle vijanden
overwonnen te hebben, ons verheugen in de eeuwige vrede). Niettemin
moeten we concluderen dat de Kerk, in het beeld dat zij ter verering
aanbood van de zalige Pius V, niet meer het vorstelijk aspect
van het Petrusambt benadrukte, zoals in de Middeleeuwen, maar
het godsdienstige; pastorale zorg en verdediging van het geloof
hebben sindsdien voorrang op diplomatie en oorlogsvoering.
Het tijdperk
van de absolute vorsten
Hoe problematisch het was voor de paus om geestelijk de leiding
te nemen van de katholieke Reformatie en tegelijkertijd politiek
buiten spel te raken, werd duidelijk in de loop van de 17e eeuw.
De Europese vorsten eigenden zich het recht toe om bisschoppen
te benoemen en de Duitse keizer en de koningen van Frankrijk en
Spanje verwierven zelfs een vetorecht in het conclaaf. De Kerk
werd langzaam maar zeker een staatsdepartement, met name in Frankrijk,
waar Gallicanisme de paus o.m. elke wereldlijke heerschappij ontzegde
(1682) en Jansenisme het geestelijk klimaat bedierf (veroordeeld
in 1653 en 1713). Het zal ook onder Franse druk geweest zijn,
dat in 1668 het feest van Petrus van Morrone heringevoerd werd
(de Celestijner Orde was talrijk in Frankrijk en had een bloeiend
klooster in Parijs), eerst als semi-duplex en vanaf 1681 als duplex.5
Hij werd nu niet langer als kluizenaar vereerd, maar als Petrus
Celestinus, paus en belijder; het nieuwe gebed maakt duidelijk
dat de pauselijke waardigheid in het licht van de eeuwigheid bezien
moet worden: 'Deus, qui beatum Petrum Caelestinum ad summi pontificatus
apicem sublimasti, quique illum humilitati postponere docuisti
'
(God, die de zalige Petrus Celestinus tot de hoogste waardigheid
van het Petrusambt hebt verheven, en hem hebt geleerd deze beneden
de nederigheid te stellen
).
Tegen de achtergrond van het groeiende vorstelijk absolutisme
moet de heiligverklaring van paus Pius V in 1712 gezien worden.
'Aan hem', aldus Clemens XI (1700-1721), '[heeft God] het hogepriesterschap
gegeven, opdat zijn Naam geprezen zou worden, en hem heeft Hij
bekleed met kracht uit den hoge, opdat hij de strijd des Heren
zou strijden en door zijn kracht de ongerechtigheden zou buitensluiten,
gemaakt als hij is tot een ijzeren zuil en een koperen muur voor
het huis Gods'. Het is aan de goddelijke Voorzienigheid te danken,
zo besluit Clemens, dat in een tijd, waarin godsdienst, christelijke
naastenliefde en kerkelijke vrijheid bedreigd worden, 'deze paus
wordt opgetekend in het boek der heiligen en vooral aan Ons, niet
minder dan aan alle bisschoppen ten voorbeeld wordt gesteld'.
Een lange paragraaf is gewijd aan de gebeurtenis van 1570, toen
Pius V 'de zogenaamde koningin van Engeland', 'de goddeloze Elizabeth,
dienares van schurken, zelf een ketter en begunstiger van ketters',
met wettige pauselijke autoriteit uit al haar vorstelijke rechten
had ontzet.
Dat het niet tot een politieke rel kwam in Europa is des te meer
opmerkelijk als men beziet wat er in 1728 gebeurde. In dat jaar
voerde Benedictus XIII (1724-1730) het feest van paus Gregorius
VII in op de universele kalender, als duplex. Het moest een teken
zijn tegen het steeds sterker wordende Gallicanisme, tegen alle
staatsbemoeienis in kerkelijke zaken. Met name de lezingen van
de tweede nocturne in het brevier lieten niets aan duidelijkheid
te wensen over: 'Tegen de goddeloze plannen van keizer Hendrik
hield hij (
) onverschrokken stand, en was niet bevreesd
zichzelf als een muur voor het huis van Israël op te stellen;
hij heeft dezelfde Hendrik, die tot diep kwaad was vervallen,
de gemeenschap met de gelovigen ontzegd en de heerschappij ontnomen,
en voornoemde volkeren van hun eed van trouw bevrijd.' Nog nooit
heeft een liturgische tekst zoveel opschudding veroorzaakt. Het
Franse parlement, gesteund door een aantal gallicaanse en jansenistische
bisschoppen, verbood de publicatie en openbare recitatie van het
officie als schadelijk voor het koninklijk gezag. Hetzelfde gebeurde
in het koninkrijk Napels, in de Nederlandse Republiek en later
o.m. in het Oostenrijk van keizer Joseph II en het Frankrijk van
Napoleon, kortom, steeds wanneer een vorst zich sterk zocht te
maken tegen de Kerk. Nog in 1828 in Parijs en in 1848 in Wenen
moest de brevierlezing met blank papier overgeplakt worden.8 Een
soortgelijk lot trof het proces tot zaligverklaring van paus Innocentius
XI (1676-1689), die geprobeerd had de kerkelijke vrijheid tegen
Lodewijk XIV te verdedigen. Na protesten van Franse zijde werd
het proces in 1744 stopgezet.9
Het conflict
tussen Kerk en Staat
Behalve de voornoemde worsteling met de historische nalatenschap
van Gregorius VII gebeurde er wat betreft de liturgische viering
van heilige pausen weinig opzienbarends in de periode die leidde
naar en volgde op de Franse Revolutie. Het bleef bij de rangverheffing
tot duplex van de feesten van Pius V in 1785 en van twee grote
Romeinse martelaar-bisschoppen uit de Oudheid, Callistus I en
Clemens I in 1808, het jaar waarin Napoleon Rome bezette en paus
Pius VII (1800-1823) onder curatele stelde, eerst in het Quirinaal
en vervolgens in Savona. De 19e eeuw stond in het teken van het
conflict tussen Kerk en Staat: in Italië betwistte men de
paus het landsbestuur, elders in Europa betwistte de paus de regeringen
het recht om bisschoppen te benoemen. Als de paus geen wereldlijk
heerser meer is, zo vroegen Pius VII en zijn opvolgers zich af,
kan hij dan nog primaat van de Kerk zijn? Het antwoord kwam tijdens
het bewind van paus Pius IX (1846-1878). In september 1870, twee
maanden nadat het Eerste Vaticaanse Concilie in de dogmatische
constitutie 'Pastor Aeternus' het primaatschap en de onfeilbaarheid
van de paus had bevestigd, viel Rome en verklaarde de paus zichzelf
tot "gevangene van het Vaticaan". Het wierp een nieuw
licht op zijn ambt, dat door het Concilie omschreven was als 'eeuwig
beginsel en zichtbaar fundament van eenheid, zowel van het geloof
als van de gemeenschap der gelovigen'.
Tussen de Vaticaanse
Concilies
Het verlies van de Kerkelijke Staten werd meer dan ruimschoots
vergoed door het immense prestige dat Pius IX verwierf, tezamen
met de herwonnen zeggenschap over de benoemingen en het bestuur
in de Kerk wereldwijd. Het duidelijkst wordt dit zichtbaar - liturgisch
gezien althans - in het martyrologium. Tussen 1870 en 1898 werden
maar liefst zes aloude cultussen van pausen officieel bevestigd,
wat gelijk staat aan een zaligverklaring. 'Het is in zekere zin
opmerkelijk', schreef de Congregatie voor de Riten bij de cultusbevestiging
van Eugenius III in 1872, 'dat in deze tijd, waarin de Heilige
Stoel door barbaarse golven heen en weer geslingerd wordt, er
heilige pausen oprijzen, die welhaast vergeten in de schaduwen
der oudheid, door hun verdienste in het licht treden, wier apostolisch
leven na hun dood bekroond wordt
'1 Alle zes de pausen worden
in het martyrologium boven het lokale niveau van hun cultus uitgeheven,
zelfs Adrianus III (884-885), wiens historische erfenis zich beperkte
tot een bescheiden verering in het klooster waar hij begraven
ligt. Victor III en Urbanus II worden nadrukkelijk de opvolgers
van Gregorius VII genoemd en Eugenius III een heilig bestuurder
van de universele Kerk, terwijl Innocentius V wordt geprezen om
het wijze beleid waarmee hij o.m. de kerkelijke vrijheid heeft
beschermd.
In 1907 opende paus Pius X (1903-1914) het proces tot zaligverklaring
van Pius IX, zonder te vermoeden dat hij zelf het eerste tot de
eer der altaren verheven zou worden. De drijvende kracht hierachter
was paus Pius XII (1939-1958) die als geen ander vóór
of na hem, in de liturgie het beeld van het Petrusambt heeft geschetst.
Aan de zaligverklaring van Pius X ging een andere belangrijke
gebeurtenis vooraf, namelijk de invoering in missaal en brevier
van het Gemeenschappelijke voor Pausen, op 9 januari 1942. Daarmee
hoopte de paus, zo zei hij, de vijanden der Kerk, die proberen
haar Opperste Herders neer te halen, te kunnen weerstaan en 'de
waardigheid van de pausen, die hen van godswege is toevertrouwd,
meer en meer in ere te brengen, en tegelijk diegenen onder hen,
die hebben uitgeblonken in heiligheid, meer verering te bewijzen'.
"Opperste Herder" lijkt in de visie van Pius XII het
beste de essentie van het Petrusambt weer te geven, herder naar
het beeld van de Heer die zijn leven geeft voor zijn kudde. En
wanneer riskeert een paus zijn leven? Als hij de rechten van de
Heilige Stoel verdedigt en de waarheid van het evangelie verbreidt.
Het vers 'Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo Ecclesiam
meam' (Gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik mijn Kerk bouwen)
overheerst in de nieuwe teksten. Maar aan het gebod 'weid mijn
lammeren, weid mijn schapen' gaat een vraag vooraf, en afwijkend
van de klassieke regel begint het intredevers daarmee: 'Si diligis
me, Simon Petrus
', 'als je mij bemint
' Het beeld van
de herder en zijn kudde komt in vrijwel alle gebeden terug; zo
wordt in het tweede gebed na de communie gevraagd dat 'nec pastori
oboedientia gregis nec gregi desit cura pastoris' (dat noch aan
de herder de gehoorzaamheid van de kudde, noch aan de kudde de
zorg van de herder ontbreke). Ook de plaatsing van dit Gemeenschappelijke
voor Pausen is veelbetekend: nog vóór dat voor de
Martelaren, de "oudste kinderen" van de Kerk, en ná
de teksten voor de Apostelen, waaraan het bovendien de prefatie
ontleent.
De zaligverklaring van paus Pius X vond plaats in 1951, reeds
vier jaar later gevolgd door de heiligverklaring. Het decreet
bij laatstgenoemde plechtigheid opende weer met de vraag van Jezus
aan Petrus: 'Bemint ge mij méér dan dezen?' Want,
aldus Pius XII, het is eigen aan de pausen om én de goddelijke
Verlosser méér dan wie ook lief te hebben, én
de heilige kudde met de grootste zorg te weiden. De tekst komt
nogmaals terug in het evangelie van de feestmis. Wat precies bedoeld
wordt met het weiden van de kudde wordt nader belicht in de andere
teksten: het katholieke geloof bewaren en het evangelie verkondigen,
niet om de eer of om te behagen, maar uit liefde. Wat nieuw is
in deze viering van een heilige paus - en het heeft zijn oorzaak
zeker ten dele in de persoon van Pius X en in zijn meest markante
werk - is het priesterlijk aspect van het Petrusambt. 'Extuli
electum de populo, oleo sancto meo unxi eum
', 'Verheven
heb Ik de uitverkorene uit het volk, met mijn heilige olie heb
Ik hem gezalfd': zo opent de feestmis, en het alleluiavers uit
de "herderspsalm" 23 herneemt, in herinnering aan de
paus van de veelvuldige communie: 'Paras mihi mensam, inungis
oleo caput meum, calix meus uberrimus est', 'Gij bereidt een maaltijd
voor mij, met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvloeiend'.
Dezelfde ontwikkeling is zichtbaar in de preken van Pius XII bij
gelegenheid van de zaligverklaring en van de heiligverklaring.
In 1951 legde hij nog het accent op de paus als 'verdediger van
het geloof, heraut van de eeuwige waarheid, bewaker van de meest
heilige tradities'. Vier jaar later echter (hoewel niets van zijn
vorige preek ontkennend of verzwijgend) vatte hij samen: 'De heiligheid
waartoe God hem riep was priesterlijke heiligheid. (
) Een
priester, vooral in het eucharistisch dienstwerk: dat is de meest
getrouwe afbeelding van St. Pius X'.
Het "aggiornamento"
van Vaticanum II
De verheven visie van paus Pius XII op zijn ambt bracht hem ertoe
om ook de processen tot zaligverklaring van Pius IX en Innocentius
XI te bespoedigen. De tweede zaak, stopgezet onder Franse druk
in 1744, werd afgerond in 1956, met permissie tot verering in
Rome en nog enkele Italiaanse bisdommen. Bij die gelegenheid gaf
Pius XII toe, dat er in de laatste eeuwen weinig pausen aan de
rangen der heiligen waren toegevoegd. Maar de oorzaak, zo zei
hij, is niet dat het hen aan heiligheid ontbrak, maar dat er volgens
de regels van canonisatie in hun geval een grotere gestrengheid
van oordeel is vereist.9 In hoeverre de pausen van de 17e en de
18e eeuw heiligen waren, laten wij hier buiten beschouwing. Het
is echter opmerkelijk dat de laatste 150 jaren zo rijk zijn geweest
aan pausen van groot formaat. De heilige Pius X, de zalige Pius
IX en Johannes XXIII, de dienaren Gods Pius XII en Paulus VI,
allen deelden zij het ideaal dat paus Johannes XXIII (1958-1963)
aan zijn dagboek toevertrouwde, namelijk om als 'Opperherder van
de Kerk en algemeen vader der zielen' zuiver in Gods licht te
leven en 'zo de hoogste eer te verdienen, navolging, als zijn
plaatsbekleder, van de volmaaktheid van Christus, van de gekruisigde
Christus'.
Zowel paus Pius XII als paus Johannes lijken hun ambt sterk beleefd
te hebben in de geest van de constitutie 'Pastor Aeternus' van
1870. Wat daarin echter ontbrak (mede omdat het Eerste Vaticaans
Concilie zijn werk niet had kunnen voltooien), was een complementaire
doctrine met betrekking tot het bisschopsambt. De formulering
daarvan geschiedde in 1964 in de constitutie 'Lumen Gentium' van
het Tweede Vaticaans Concilie, door Johannes XXIII bijeengeroepen
om de Kerk bij de tijd te brengen. De nieuwe inzichten in de structuur
van de Kerk werden ook weerspiegeld in de vernieuwde liturgie.
De heiligenfeesten - sedert Trente toegenomen van 158 tot 262
- moesten uitgedund en herordend worden, al naar gelang hun belang
en relevantie voor de universele Kerk. Deze wens van het Concilie,
gecombineerd met zijn nadruk op de collegialiteit van paus en
bisschoppen, had o.m. tot gevolg dat het aantal vieringen van
heilige pausen werd teruggebracht van 38 tot 15 (waarover later
meer). Al even veelzeggend was het verdwijnen van het Gemeenschappelijke
voor Pausen. In plaats daarvan kwam er een Gemeenschappelijke
voor Herders van de Kerk, dat begint met twee feestmissen 'voor
pausen of bisschoppen', waarin alleen het gebed eigen is voor
elk van beiden. In het gebed voor pausen wordt het ambt gepresenteerd
als een dienst aan het volk waarover God hen als herder heeft
aangesteld; het tweede gebed noemt de paus 'bisschop', herinnerend
aan het feit dat hij eerst en vanouds de bisschop van Rome is.
De overige teksten, toepasselijk op paus én bisschoppen,
zijn sterk priesterlijk en eucharistisch - de 'getrouwe afbeelding
van St. Pius X'.
En hoe wordt in de nieuwe liturgie het Petrusambt voorgesteld,
zoals het in de twintig eeuwen voorafgaande aan het Concilie verwerkelijkt
is geworden in de figuren van de heilige pausen? Ten eerste, zoals
gezegd is het aantal van hun feesten teruggebracht tot 15, min
of meer gelijk verdeeld over de "sterke tijden" van
de geschiedenis der Kerk: de eerste drie eeuwen, de tijd van de
vervolgingen (Clemens, Callistus, Pontianus, Fabianus, Cornelius,
Sixtus II), het patristisch tijdperk (Silvester, Damasus, Leo
de Grote, Johannes I, Gregorius de Grote, Martinus I), de Gregoriaanse
hervorming (Gregorius VII), de katholieke Reformatie (Pius V)
en de 20e eeuw (Pius X). Ten tweede, het merendeel wordt gevierd
als vrije gedachtenis; slechts Cornelius, Leo, Gregorius en Pius
X zijn niet optioneel. Daarbij moet opgemerkt worden dat de martelaar-paus
Cornelius sinds onheuglijke tijden tezamen met een martelaar-bisschop
wordt herdacht, namelijk St. Cyprianus van Carthago, die hem hielp
zijn gezag te handhaven. 'Sedulos pastores et invictos martyres'
wordt van hen beiden gezegd: 'toegewijde herders en onverschrokken
bloedgetuigen'. Het is een nieuw gebed, zoals, ten derde, alle
feestmissen (uitgezonderd de recente teksten voor Pius X) nieuw
of gewijzigd zijn. Gregorius VII wordt niet meer om zijn strijd
voor de kerkelijke vrijheid geprezen, maar om zijn ijver voor
de gerechtigheid, terwijl in het gebed voor Pius V het 'ad conterendos
Ecclesiae tuae hostes' (tot verplettering van de vijanden van
uw Kerk) vervangen is door het minder polemische 'ad fidem tuendam'
(tot verdediging van het geloof).
Het beste lijkt de visie van het Concilie op het Petrusambt verbeeld
te zijn in de vieringen van de pausen Leo en Gregorius, beiden
niet voor niets 'de Grote' genoemd. De teksten voor Leo komen
uit het oude Gemeenschappelijke voor Pausen, waarbij het gebed,
dat verwijst naar het 'Gij zijt Petrus', zeer toepasselijk is
op deze paus, die deze tekst méér dan wie ook heeft
becommentarieerd. Voor Gregorius is een nieuwe feestmis samengesteld,
met drie eigen gebeden. Het openingsgebed verwijst naar de wijsheid
en het gezag die de goede herder moeten kenmerken en die Gregorius
zelf in zijn bekende 'Regula Pastoris' beschreven heeft: 'Deus,
qui populis tuis indulgentia consulis et amore dominaris, da spiritum
sapientiae, intercedente beato Gregorio papa, quibus dedisti regimen
disciplinae, ut de profectu sanctarum ovium fiant gaudia aeterna
pastorum' (God, die uw volk met goedheid en liefde bestuurt, geef
op voorspraak van de heilige paus Gregorius de geest van wijsheid
aan hen, aan wie Gij de vorming der zielen hebt toevertrouwd,
opdat door de groei in heiligheid van uw schapen de herders tot
eeuwige vreugde mogen komen). De lezingen benadrukken dat het
bestuur van de Kerk en de verkondiging van het geloof eerst en
vooral dienstwerk zijn, een toespeling op de titel 'servus servorum
Dei', 'dienaar van de dienaren Gods', die Gregorius volgens de
traditie als eerste gebruikt heeft. Wat is er meer geschikt om
het beeld samen te vatten, dat de liturgie in de afgelopen twintig
eeuwen van het Petrusambt geschetst heeft?